De huid


De huid bestaat uit drie lagen: de opperhuid, de lederhuid en het onderhuidse vet en bindweefsel.

 
De opperhuid bestaat uit 4 of 5 lagen. Het stratum basale is de scheidingslaag tussen opperhuid en lederhuid. Daarin ontstaan nieuwe huidcellen die zich langzaam naar boven, dus naar het oppervlak van de huid, bewegen.

Het stratum spinosum is de tweede laag, waarin de nieuwe gevormde huidcellen nog veelhoekig van vorm zijn en melamine (die de kleur van de huid bepaalt) opnemen.

In de derde laag, het stratum granulosum worden de huidcellen plat van vorm en bevatten donkere melamine korrels. Deze laag is ca. 5 huidcellen dik.

De vierde laag, het stratum lucidum is alleen aanwezig in de haarloze delen van de huid, bijvoorbeeld van de handpalmen en voetzolen. Deze laag bestaat uit 5 laagjes heldere, inmiddels dode, cellen.

De bovenste laag, waarvan we het oppervlak zien, is het stratum corneum. Deze laag bestaat uit ca. 30 laagjes platte, dode huidcellen die voor het grootste deel bestaan uit keratine. Ze liggen als pannenkoekjes op- en naast elkaar gestapeld. De bovenste dode cellen schilferen af en worden van onderaf steeds vervangen door nieuwe jongere cellen. Het hele regeneratie proces van het ontstaan van een cel in de basale laag, tot het afschilferen van aan de oppervlakte duurt bij een normale huid 21 tot 27 dagen.

De dikte van de opperhuid is sterk afhankelijk van de plaats op het lichaam. Op de oogleden is de opperhuid maar zo’n 0,05 mm dik. Op de rug, handpalmen, voetzolen en andere plaatsen waar veel druk en wrijving op de huid wordt uitgeoefend, kan de opperhuid wel 1 tot 2 mm dik zijn. Ook in het gezicht is de dikte van de opperhuid sterk verschillend.

Een tatoeage wordt net onder de opperhuid gezet. De inkt mengt zich met de cellen in de lederhuid en is zichtbaar door de opperhuid.